Geschiedenis Joodse gemeenschap

Kruispunt van verwarring

Op de tekening ziet u het kruispunt Voorhaven – Oorgat – de Klundert en Pietersbrug. Met rechtsboven de Joodse begraafplaats en aan de overkant ‘De Tochtgenoten’; het oorlogsmonument van de Joodse slachtoffers van de Holocaust. Niet getoond is de in 1826 gesloopte Oosterpoort met de stadsmuur, zo kenmerkend voor Joodse begraafplaatsen. Volgens de Joodse wetten moest immers de eeuwige rustplaats buiten de bebouwde kom liggen.

1792: De Oosterpoort, gezien vanaf het water nabij het Oorgat

In de 17de 18de eeuw werd bij de stadspoorten de toegang tot een stad geregeld. Zo stellen wij ons voor dat in 1641 Samuel Abrahamsz, de eerste Jood voor zover bekend, bij een van de zes poorten, die Edam rijk was, aankwam. Hij kreeg toestemming van de burgemeester om voor een bepaalde tijd in Edam te wonen. Tot het einde van 18de eeuw was het niet vanzelfsprekend dat je poorter (stedeling) kon worden. Bepalend was ondermeer bescherming van de eigen economie, de afkomst, het vermogen en de geloofsovertuiging. 

 

Diaspora, migratie, vluchten en werkgelegenheid.

Eind 15de eeuw heerste op het  Iberische schiereiland (Spanje en Portugal) tijdens de inquisitie onder Philips II een schrikbewind. Veel sefardische Joden vluchtten naar de Lage Landen.  Na de val van Antwerpen (1585) vluchtten vele Sefardim (Sfarad is het Hebreeuwse woord voor Spanje) naar het huidige Nederland. 

Ook arme Asjkenazim

In de 17de eeuw vluchtten na de verdrijving uit Duitse steden door de Dertigjarige oorlog (1618-1648), door de pogroms en massamoorden in Oekraïne ook veel Oost-Europese Joden naar Nederland. Naast godsdienstige redenen speelde werkgelegenheid vaak ook een rol. Deze vluchtelingen werden aangeduid als Asjkenazim. Met Asjkenaz wordt ruwweg verwezen naar het gebied van het huidige Duitsland. De meeste  Asjkenazim  waren arm. Een reden voor Amsterdam om op een enkeling na de Asjkenazim geen toestemming te geven zich er te vestigen. 

Van 91 Joden naar 1

De Asjkenazim vestigden zich in de 17de en de 18de eeuw vervolgens in Edam en verhuisden rond 1850 naar Amsterdam vanwege de industrialisatie en betere scholing en werkgelegenheid. Rond 1900 telde Amsterdam 60.000 Joden en de Joodse gemeenschap in Edam welgeteld nog maar 1, te weten Benjamin Levi Berlijn. In 1840 telde de gemeente Edam in totaal  91 Joden met een synagoge op de Achterhaven en een bad- en schoollokaal in de Grote Kerkstraat. De killeEdam – de gemeenschap – diende als ringsynagoge. De Beemster, Ilpendam, Oosthuizen en de Rijp behoorden tot de kille Edam. In 1896 werd de Joodse gemeenschap ontbonden en samengevoegd met Monnickendam.

1843: Toraschild van de Joodse gemeente in Edam

 

1942: verjaagd uit eigen huis

Decennia later veranderde het politieke klimaat in Duitsland zich drastisch. In 1937 vestigden zich de eerste Joodse vluchtelingen uit Duitsland in Edam als gevolg van de Jodenvervolging. Economische en praktische factoren speelden een rol bij hun keuze voor de gemeente Edam.  In 1934 brandde de touwfabriek aan de Baanstraat af. Zo’n 300 werknemers raakten werkloos. Omdat de werklozen van de touwfabriek wegtrokken kwamen er woningen in de stad leeg te staan. Acht jaar later – in 1942 – werden de huizen van de Joodse bewoners door de gemeente aan nieuwe bewoners toegewezen. Zo ook  Jonkerlaantje 34, de woning van de Joodse familie Leyser. Deze werd door de burgemeester toegewezen aan de NSB’er  Van Gastel. 

Joodse ondernemers bieden werk

Na de brand ging de gemeente Edam op zoek naar nieuwe werkgelegenheid. De Rijksoverheid bood uitkomst: de Zuiderzeewet uit 1918 bevatte een stimuleringsprogramma voor die gemeenten die door de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 waren gedupeerd. Ook kwam er nieuwe werkgelegenheid door de komst van de Joodse ondernemers Ludwig Kaufmann, Otto Leidser en Alfred Levy: ENKEV ( Eerste Nederlandse Kunsthaar-industrie Edam-Volendam), Bretelsfabriek Atli en NOHOL (Noord-Hollandse koperwarenfabriek).

De persoonlijke geschiedenis van de Joodse inwoners in Edam 1937-1945 “Rachel’s kinderen”  van Erik Besseling staat op de website. 21 Edamse Joodse mannen, vrouwen en kinderen zijn op transport gesteld en vermoord. 

Ontdekkingen, verhalen en herinneringen

De geschiedenis van de Edamse Joden houdt niet op met het opheffen van de Joodse gemeenschap en het vermoorden van 21 Joodse mannen, vrouwen en kinderen door de Duitsers. Het culturele erfgoed, de  begraafplaats en het beeld van De Tochtgenoten en daarnaast de verhalen, de boeken, krantenartikelen, opinies, de actualiteit van alledag  blijven de herinnering levend houden.

Kort van memorie

De oorlog is voorbij en de houten omheining en de poort van de Joodse begraafplaats zijn tijdens de oorlog opgestookt. Met de gemeente wordt overeengekomen de open houten omheining te vervangen voor een ligusterhaag. Half juli 1945 begint het officiële bevrijdingsfeest. De festiviteiten worden geopend met een kranslegging. Burgemeester Van Baar houdt een toespraak. Deze herdenkt de 13  Edammers en Volendammers die zijn omgekomen en maakt melding van nog 12 vermisten. Over het lot van 21 vermoorde Joden wordt met geen woord gerept. Kort van memorie, zullen we maar denken.

‘De Tochtenoten’: burgerinitiatief

Bijna 20 jaar later, juni 1964,  is er een burgerinitiatief voor een monument ter nagedachtenis aan weggevoerde Joodse landgenoten. Onbekend is of het initiatief van de beeldhouwer Hubert van Lith is of van de heer G.T. Vermeer, de directeur van het Edamse museum. Op 2 oktober 1967 onthult opperrabbijn Berlinger met een indrukwekkende toespraak het monument.  Het valt hem op dat de begraafplaats er onverzorgd bijligt. 

2019: De Tochtgenoten: Rachel beweent haar kinderen

 

de Joodse begraafplaats

 

De Joodse gemeente van Edam 1779-1886

Bij deze gelegenheid schenkt de opperrabbijn een pakket archiefstukken, waaronder het protokolboek en het begravingsregister van de Joodse gemeenschap in Edam aan de gemeente.

In 1975 werd het oude archief van de zolder van het stadhuis aan het Damplein overgebracht naar de Speeltoren. Ook het protocolboek en het begravingsregister.  

In 1979 sluit de gemeente zich bij het streekarchief aan. Dan ontdekt de heer F. Schoonheim, adjunct-archivaris van het Streekarchief Waterland, de door vocht en schimmel aangetaste archiefstukken. Door toeval werd de kennis en informatie over de Joodse gemeenschap in de 18de en 19de eeuw gered. 

De vondst van de heer Schoonheim is voor hem aanleiding  om er een boekje over samen te stellen: ‘De Joodse gemeente van Edam 1779-1886’. Dit boekje, dat in zijn geheel als bijlage op onze website staat, beschrijft de geschiedenis van Joden in Edam tijdens de 18 en 19de eeuw.

Voorblad Begravingsregister 

 

Protocolboek

Aandacht voor de Holocaust

Voor zover nog te achterhalen is werd in de eerste jaren na het onthullen van het herdenkingsmonument ‘de Tochtgenoten’ in 1967 dit monument niet betrokken bij de  jaarlijkse herdenking op 4 mei. 

Bij de tweede herinneringsgolf in de jaren 70 komt er landelijk meer aandacht voor pluriformiteit. Niet alleen de gevallenen, zoals bij het Egbert Snijder monument, maar ook het lot van de slachtoffers van de Holocaust: Joden, homoseksuelen, Roma en Sinti komen meer centraal te staan. Zo ook in Edam. 

Opdat wij niet vergeten

Jongerencentrum NOHOL organiseert nadat ze bij het monument De Tochtgenoten de Edamse Joden herdacht hebben een stille tocht naar het Egbert Snijder monument. De rabbijn spreekt bij het monument het Kaddisj uit en noemt de 21 namen. 

In 2002 komt er een gedenksteen op de Joodse begraafplaats met de namen van de 21 vermoorde Edammers en in oktober 2018 worden de Stolpersteine, een initiatief van Frans van der Drift, onthuld. 

Medeoprichter van Stichting Joods Verleden Edam, Marco de Groot, publiceert in 2011 het boekje met de titel “Oorlogswees”.  Hij schets daarin zijn leven en beschrijft zijn ervaringen als medeaanklager in het proces Demjanjuk in München. Op de achterkant merkt hij op dat van de 140.000 Joodse Nederlanders ongeveer 75% zijn vermoord. In geen enkel land lag het percentage zo hoog. 

In het boekje ‘Feit van niets” (april 2008) beschrijft Erik Besseling  dat de burgemeester, de verpersoonlijking van het openbaar bestuur veel moeite blijkt te hebben zijn houding te bepalen en er voor kiest de confrontatie met de bezetter zo lang mogelijk uit te stellen. Te laat voor de 21 Joodse slachtoffers? 

Overdenk het als u op het kruispunt staat.