De Joodse begraafplaats

De geschiedenis van de Joodse begraafplaats
Overal in ons land vinden we gelukkig nog Joodse begraafplaatsen. Gelukkig, want veel Joodse begraafplaatsen in Europa werden door de nazi’s gesloopt of zijn op zijn minst gesloten. Deze begraafplaatsen  bevinden zich vaak, in ieder geval van oorsprong, niet in de bebouwde kom. In de achterliggende eeuwen werden Joden en hun begraafplaatsen veelal ‘verbannen’ naar decentrale plekken in een gemeenschap. Voor Edam geldt dit ook; de Joodse begraafplaats is gelegen buiten de vesting.


De Oosterpoort in 1792 , gezien vanaf de Voorhaven.


Het rechthoekige vlak nabij de Oosterpoort geeft de Joodse begraafplaats in 1819 aan.

Joodse gemeenschap in Edam
Het Edamse stadsbestuur gaf in 1792 toestemming aan de ‘leden van de Hoogduitsche Joodse Natie gebruik te maken van een blokhuys bij de Oosterpoort voor een kerkhof’. 

In die tijd – ruim een eeuw lang, van eind 18e eeuw tot eind 19e eeuw – leefde in Edam een Joodse gemeenschap met een synagoge, een ritueel bad, een eigen schooltje en met dus een eigen begraafplaats.

Eind 19e eeuw zijn de Joden met name naar Amsterdam vertrokken om daar hun beroep uit te oefenen. Enkele families bleven in Edam wonen, maar de Joodse gemeente werd in 1886 door de overgebleven drie mannelijke leden opgeheven. Een Joodse gemeenschap vereist namelijk tien mannelijke leden om actief te kunnen zijn volgens de Joodse wetten en die waren er niet meer.

Hun namen
In het Waterlands Archief bevindt zich het ‘Begravings Register 1793’ waarin in prachtig handschrift de namen van 110 volwassenen en 113 kinderen voorkomen. Het register loopt van 1793 tot 1880.  Aron Lezer werd als eerste persoon op 29 mei 1793 begraven.  


Voorkant Begravingsregister van 1793
De inhoud: pagina’s 1 t/m 8 zijn onderaan dit artikel te vinden.

De mannen hebben veelal Bijbelse namen zoals Abraham, Mozes of Jozef en de vrouwen namen als Esther, Sara of Judith maar er zijn ook vrouwen met hele  mooie namen zoals Vogeltje, Bloemetje, Schoontje en Duifje.

De namen van kinderen worden apart vermeld op een kinderregel en veelal zonder naam; er wordt volstaan met het noemen van: ‘een kind van’ en dan volgt de naam van de vader, een triest beeld, maar kindersterfte was vroeger heel gewoon.

Joden uit de omgeving waaronder Purmerend en De Rijp werden hier ook begraven. De dichtstbijzijnde Joodse gemeente was in Monnickendam met een eigen begraafplaats.

Na 1880  zijn er ook nog enkele personen begraven. Als laatste is begraven Mietje de Jongh, oud 90 jaar, overleden op 28-11-1920 en weduwe van Benjamin Levi Berlijn, het laatste lid van de in 1886 opgeheven Joodse gemeenschap van Edam. Op de grafsteen is de familienaam de Jong verkeerd gespeld en moet zijn de Jongh. De Hebreeuwse tekst luidt: ‘Hier ligt geborgen een dierbare en ge’eerde vrouw Mevrouw Merele Dochter van de ge’eerde heer Eli’ de Jongh Weduwe van de ge’eerde heer Benjamin Berlijn. De naam van haar moeder is Hindele. T.N.Ts.B.H ( Moge haar ziel gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven. Bron: 1 Samuel 25:29) Zij overleed op zondag 17 Kislev 5681 (volgens de Joodse kalender en jaartelling).‘

Het uiterlijk van de begraafplaats
Van de oorspronkelijke inrichting van de begraafplaats resteert weinig. Rond de begraafplaats stond na afbraak in 1826 van de Oosterpoort een houten hek met een toegangspoortje met daarboven een tekst in het Hebreeuws uit Ezechiel 37:12 “ Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE:  Zie, Ik zal uw graven openen en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land Israëls.” (Statenvertaling)

Hoe deze toegangspoort eruit heeft gezien is nog op een oude ansichtkaart van het Oorgat zichtbaar. Op de begraafplaats zelf stond een zogenoemd metaheerhuisje van circa 4 bij 3 meter. Dit huisje deed dienst voor het ritueel reinigen van overledenen. Hiervoor werd dit hoogstwaarschijnlijk gedaan in het blokhuys totdat dit werd afgebroken.

In 1943 is de begraafplaats officieel buiten gebruik gesteld. Uit een luchtfoto uit de Tweede Wereldoorlog, gemaakt door het Engelse RAF op 12 september 1944 is de begraafplaats vooral aan de kant van de wegen omgeven door vrij grote bomen. Op een luchtfoto gemaakt op 26 februari 1945 is het aantal bomen sterk verminderd. Het hek en de toegangspoort zijn ook in de oorlog als brandhout gebruikt.

Eigenaar het NIK
De Joodse begraafplaats in Edam is eigendom van de Nederlandsch Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK). Het NIK heeft als visie het opnieuw in perspectief plaatsen van de contemporaine geschiedenis van de Joodse gemeenschap en het totaalbeeld van de eeuwenlange Joodse invloed op de Nederlandse samenleving. In veel gevallen is de begraafplaats nog het enige overgebleven restant van de Joodse bevolkingsgroep.

Onderhoud door de gemeente
In 1950 is op de plaats van het hek en de toegangspoort een ligusterheg geplant en sindsdien wordt de begraafplaats  in overleg met de eigenaar onderhouden door de gemeente.

Burgemeester Boelens memoreerde dit nog in zijn toespraak tijdens de onthulling van het monument De Tochtgenoten in  1967:  “Hij trof de kleine doch niet minder eerbiedwaardige begraafplaats in een deerlijk verwaarloosde toestand aan. Het werd als juist gezien om de gemeente op eenvoudige, doch waardige wijze deze weer te laten herstellen en te doen onderhouden.”

In 2020 is de ligusterhaag vervangen door een beukenhaag, net als op het ‘pleintje’ rond het herdenkingsbeeld de Tochtgenoten aan de overkant van de straat.

de Joodse begraafplaats

Asjkenazische joden
Er staan nog 14 grafstenen overeind, waarschijnlijk niet allemaal op hun oorspronkelijke locatie. Omdat de grafstenen rechtop staan kunnen we zien dat deze van Asjkenazische Joden zijn, afkomstig uit Oost- en West-Europa. Sefardische Joden (afkomstig van het Iberisch schiereiland: Spanje en Portugal) hebben namelijk liggende grafstenen.

In 1952 is het Oorgat aan de zuidzijde verbreed, waarbij drie meter van de begraafplaats is afgehaald die er aan de noordkant is bijgekomen. Met toestemming van de toenmalige rabbijn zijn de graven aldaar verplaatst.

 Pagina’s 1 t/m 8 van het Begravingsregister van 1793